Lampie: Rust zacht, ouwe reus

0269657_Gait_1.jpg
Dit tekent de man, altijd in voor een geintje.

Vanaf de geboorte krijg ieder mens twee zekerheden mee: je moet belasting betalen en gaat een keer dood. Maak er het beste van, tot het onvermijdelijke toeslaat. Sterven is soms een uitkomst. Als de horizon hopeloos is. Wanneer een slopende ziekte je stukje bij beetje alles afpakt. Er geen kans is op genezing. Als de pijn ondraaglijk wordt en een wonder uitblijft. Dan komt de dood als een verlossing. Voor wie doodziek is, is sterven een zegen. Voor wie achterblijft een vloek. Een schrijnend gemis. Na ongeloof en depressie volgt aanvaarding en herstel. De een doet er een jaar over, de ander misschien wel tien, terwijl weer een ander er nooit overheen komt en tot levenslang wordt veroordeeld. Waarom moet iemand die zoveel lol in zijn bestaan heeft deze aardkloot verlaten? Gerrit de Jonge haalde veel uit het leven. Helaas sloopten tumoren zijn lichaam. Stukje bij beetje moest-ie inleveren. Zijn geliefde biertje laten staan. Wandelen ging niet meer. Vissen ook niet. Een visje eten zorgde voor onrust in de maag.

In zijn hoofd kon en wilde Gerrit blijven meedoen, maar het lichaam begon te protesteren. Hem overkwam waar je vaak over hoort: iemand gaat met pensioen, wordt ziek en overlijdt. Er was na z’n pensionering amper tijd om van z’n vrijheid te genieten. We waren collega’s. Spoorlui. Mensen van de klok. Die klok tikte voor Gerrit veel te snel af naar nul. Ik leerde Gerrit kennen toen-ie naar Zwolle werd overgeplaatst en in zijn geliefde Ommen ging wonen. We hadden een klik. Ouwehoeren als het kan, serieus als het moest. Omgang op het werk leidde tot broederschap in vrije tijd. Samen naar de voetbal. Biertje. Balletje gehakt. Snoeken in de Weerribben of op de brasem in het kanaal Almelo-de Haandrik. Hij was de grondlegger van de lokale wielerronde. Gerrit richtte genootschappen op. De ene keer was het mosselen happen bij zijn tweede huis op camping Ommerland, de andere keer wildgebraad schransen aan de Tureluur.

Hij was graag onder de mensen en als-ie je mocht had je een gouden vriend aan hem. Omgekeerd was dat ook zo. Als-ie de pik op iemand had, werd die verbaal niet gespaard, ongeacht diens status of positie. Dat kwam zowel op het werk als in zijn rol als lokaal politicus dikwijls aan het licht. Oud-burgemeester Bernard Kobes omschreef Gerrit als ‘een straatvechter’, een typering die positief was bedoeld. Vakbondsterriër Gerrit gaf nooit op. Kon zich ergens in vastbijten en liet niet los. Durfde de duim op de gevoelige plek te leggen en schroomde niet stevig te drukken als-ie vond dat de situatie er om vroeg. “Ik kan niet tegen onrecht”, vertelde hij mij eens. Welnu, dat kan niemand, maar hij is een van de weinigen die er mee aan de slag ging en er werk van maakte. Dertien jaar gemeentelijk raadswerk leidde terecht tot een koninklijke onderscheiding. Zijn heengaan is een gemis voor hen die achterblijven. Dood en doodzonde. ‘Tijd heelt alle wonden’ wordt beweerd, het litteken is blijvend…

1 REACTIE

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.