Lampie: Waardeloos

0246732_bh_3.jpg
.

De donkere dagen voor kerst. Tijd van bezinning. Periode van stilstaan bij wat eens was, maar niet meer is. Over de dierbaren die ons in de loop der tijd zijn ontvallen. Sommige mensen blijven je bij. Hun gewoontes, hun gedachtegoed, hun uitspraken. Moest plots denken aan mijn oudtante Gé. Krijgt ze toch nog gelijk. Mijn broertje en ik. We waren opgeschoten knapen, in de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw. Kan me de verjaardagvisites nog herinneren. Koffie, appelgebak en nog voor het advocaatje met slagroom op tafel kwam gaven we elkaar een samenzweerderig knipoogje. Zo van: let op, komt-ie. En ja hoor, nooit werden we teleurgesteld. “Nou tante Gé, hoe is ‘t?” En dan begon de jeremiade over haar aftakelende lijf. Van reuma tot aderverkalking. “Ja jongs, tante Gé wordt ’n daggie oalder, ‘t is nie’ meer wat ‘t e’west is heur.” En vervolgens met de wijsvinger richting hemel om haar punt te maken, “bôôm de vieftig, gien dag meer zonder piene.”
Ach ja, onze tante Gé had het zeuren en klagen tot kunst verheven. Maar verdomd, ze krijgt gelijk, stel ik een halve eeuw na dato vast. Zeurderige pijn in mijn schouderblad. Een kwelling. Kan het niet vinden in huis. Loop ongedurig te drentelen, of was ik een drachtige waakhond, op punt van werpen. Zitten, staan, zitten, staan en met gepijnigd gelaat naar buiten loeren. En maar wrijven over mijn schouderblad. Mijn vrouw kreeg er de zenuwen van. “Man, wat he’j toch?” Met getergde blik berichtte ik wat er aan scheelde. “Zeurende pijn.” “Past wel bij je”, was haar reactie. Niet kwaad bedoeld, maar ik kon er eventjes niet om lachen. “Ga maar vissen, dat leidt af.” “Nee, nee, ik pas. Ander keertje maar weer es.” Misschien opperde ze het ook wel om de ernst van de situatie in te schatten, zo van: als-ie niet gaat vissen heeft-ie echt last. Hoe dan ook: liep mezelf gruwelijk in de weg. “Ga wel een eindje fietsen”, kondigde ik aan met diepe zucht en getergde blik.
Gewatteerd jackie aan en trappen maar. Geen doel. Geen bestemming. Dom peddelen op de pedalen. Junne? Kan. Of nee, doe maar een rondje Eerde en via Archem weerom. Anderhalf uurtje later was ik terug. “Nou, nog wat beleefd?” “Nee, niks.” “Niks…, wat heb je gedaan dan?” “Fietsen.” “Waar?” “Eerde, Archem, daar in de buurt.” “Dan heb je toch wat gezien?” “Niks bijzonders. Duiven, koeien, kraaien en o ja, een eekhoorn.” Mijn vrouw kijkt me wat meewarig aan. “Niks…, en zo lang weg, dat is mooi waardeloos”, mompelt ze en gaat verder met het kruiden van de kippenpoten. Iets waar ik me normaal op verheug, maar die zeurende schouder is een pretbederver. Bovendien, wat nou waardeloos. Hoezo? Het leegstaande clubgebouw van OVC ’21 dat is pas waardeloos. Geen bestemming. Geen leven binnen de muren, enkel stilte en leegte. Een doods spookgebouw. Waardeloos. Trouwens, over waardeloos gesproken. Waar las ik dat toch? Het toppunt van waardeloos, een bh aan de waslijn. Zonder inhoud geen enkele waarde!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.