Lampie: Fietsellende

Beweging op het tuinpad. Mijn kleinzoon. Gezicht op onweer. Haaks op de omstandigheden. Geen wolkje aan het hemelzwerk en geen zuchtje wind. Het ventje komt niet zoals te doen gebruikelijk met een flinke vaart de bocht om gesjeesd. Geen gepiep van knijpende remmen en slippende banden. Fiets aan de hand. Het is slenter, slenter, slenter, besloten met een armgebaar van ‘kom es’. Ik voel ‘m al aankomen, terwijl ik naar de voordeur sjouw. “Zeg het es.” “Opa, kun je even naar mijn fiets kijken?” Ik richt mijn blik op het afgeragde vehikel. Na een minuutje het aftandse rijwiel hebben aanschouwd. “Oké, heb ‘t gezien.” Vervolgens terug naar binnen. Mijn kleinzoon volgt. “Wil je wat drinken?” “Cola.” Hij heeft de verfrissing al op voor ik mijn achterwerk neervlij op de bank en wegkruip achter de Stentor. “Ga je ‘m nog maken”, vraagt mijn kleinzoon. “Wat maken”, hou ik me van de domme, iets wat me uitstekend afgaat. “Mijn fiets.”
Natuurlijk zag ik de bui al hangen. Dat wordt het Simson-blikje met plakkers grijpen en passende schroefjes en moertjes opduikelen. De fiets, een troosteloos geval, staat er schroothooprijp bij. Ternauwernood leunend op de standaard, die vermoeid en losjes aan het frame hangt. Een vluchtige blik op de klok leert dat ik nog een uurtje heb, voor FC Ommen begint. De vloek is binnensmonds. Vooruit dan maar, aan de slag. Waar is een amateursleutelaar zonder 10-11? Juist. Nergens. De standaard kan weer zonder argwaan en twijfel zijn taak uitvoeren: het fier overeind houden van het vehikel. Voor de jasbeschermer en het voorspatbord is alle hoop verloren. Slopen is de enige optie. “Wie heb je achterop gehad?” vraag ik. Wijzend op de iele pakjesdrager, welke nog maar met een boutje vastzit. Hij noemt de naam van zijn maat, inmiddels verdwenen in de mist van mijn hersenpan. In ieder geval geen Jan, Piet of Kees. Gekunstelder. Lijkt me lastig in de praktijk. Hoe heet je? Zeg dat nog es. Eh…, wat? Oké, en hoe schrijf je dat?
“Die pakjesdrager is niet gebouwd om slungelige pubers van een jaartje of vijftien te vervoeren”, steek ik een kansloze preek af. Maar goed, opa redt de boel wel weer. De lekke band. Emmertje water. Aha, hebbes. Ontsnappende luchtbelletjes verraden het mankement. De tijd schrijdt voort. Opschieten. De voetbal wacht op niemand. Onheil bezworen. Lek gefikst. Snel de buitenband op de velg buigen. Kling, kets, pats en klaar. Wat rest is de band op spanning brengen. Pomp, pomp, pomp. Barst, dat is wel héél erg lang pompen. Ben ik te gehaast geweest? Tjonge jonge, wat ben ik ook een prutser. Geen klusser, maar een klunser. Twee linkerhanden met allemaal duimen eraan. Niet rechtshandig, niet linkshandig, maar onhandig. Krabbelend op mijn kruin en met opgetrokken wenkbrauwen: “Weet je wat, breng het maar naar Brunink.” Eerste Hulp bij Fietsellende. Maar Berend Jan is er klaar mee. De fietsenmaker kapt ermee. Hij heeft er de leeftijd voor. Gelijk heeft-ie. Punt is alleen dat ik mijn vertrouwde hersteladresje kwijt ben…

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.