Lampie: Ganzendrek

0232289_Ganzendrek.jpg
.

“Zo, jij bent er vroeg weer”, merkt mijn vrouw op. Geen idee of dit een uiting van teleurstelling is, of meer een neutrale opmerking. Maakt niet uit. De klok staat iets voor tien. In de ochtend welteverstaan. Haar ochtendritueel; opstaan, krantje en koffie slurpen in haar uppie is ietwat verstoord. Meest ben ik later thuis. In paniek raakt mijn echtgenote nooit – die grijze postduif cirkelt wat om de keet en staat vroeg of laat wel weer voor de welbekende deur. “Koffie?” Altijd. Als ik koffie weiger is het niet oké met me. Hengels in de hoek. “Wilden ze niet bijten?” “Och…, ging wel.” De sessie was niet bijzonder. Geen kanjers. Paar kleine visjes. Toch was het oké aan de waterkant. Op mijn stekkie aan de grote vijver, welke het eind van woonwijk de Dante aangeeft. Of het begin, afhankelijk van welke windrichting je het water benadert. Ter zake. Zat er ultravroeg. Op een tijdstip waarop de meeste mensen zich nog een keer omdraaien, of hooguit de beddenstee verlaten om een plasje te doen, om daarna geeuwend het nest weer in te duiken. Nog een uurtje liggen voordat het gelazer begint.
Heb me laten wijsmaken dat in bed de meeste mensen doodgaan, dus als ik wakker ben stap ik eruit. En dat is vroeg. Op naar het water. Genieten. Vader en moeder fuut waren succesvoller dan deze jongen. Voorntjes uit het water pikken en voeren aan de hongerige en bedelende kuikens. Sierlijke vogels, mooier dan die ordinaire meerkoeten. Altijd uit op ruzie, dat zwarte gespuis. Baldadige schepsels. Over baldadigheid gesproken. In de wilg, waaronder ik mijn stek heb gekozen tsjilpen mussen. Er valt iets op de klep van mijn pet. Een rups? Nee, vogelpoep. Zijn jullie helemaal besodemieterd! Ik klap in mijn handen. Wegwezen, tuig! Gelukkig een compact mussenpoepje en geen aalscholversmurrie. Ommen ontwaakt. Een waterig zonnetje breekt door. Ganzengezinnen dobberen op het water. Ganzen grazen en poepen. De oever is bezaaid met keutels. De eerste hondenbezitter komt aantrippelen. “Goedemorgen. Willen ze bijten?” “De vis niet, alleen de muggen.”
In het kielzog van de vriendelijke vrouw met de bril en het korte kapsel trippelen twee kleine hondjes. De ene ziet er fit en afgetraind uit. Het dappere keffertje lijdt aan grootheidswaanzin en is aan het togen met een enorme tak, zeker gezien haar grootte. De andere benut de korte stop om gretig in de ganzenkeutels te happen. “Buffy nee! Verdorie, zit ze weer ganzenpoep te eten.” “Misschien voer je haar te krap”, probeer ik zijn vunzige eetgewoonte te verklaren. “Wat denk jezelf”, kaatst de hondenbezitster terug en zet haar breedste lach op. Al kauwend en slikkend staart het diertje me onbenullig aan. Het fenomeen plofkip is me bekend, plofhond niet. Tot nu toe. Het hondje neigt naar corpulentie. Die komt niks te kort. Dan een aanzwellend, dreigend motorisch gedreun. De zitmaaier van de gemeente. Weg rust. Inpakken en op de keet aan. “Volgende keer beter”, zegt mijn vrouw. “Trouwens, wat is dat voor groene smurrie onder je laars…?”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.