Lampie: Weg gezelligheid…

Een wekker is niet nodig. Als ik plannen heb te gaan vissen word ik automatisch vroeg wakker. De ogen kierden al om vier uur. Nog een keer omdraaien. Kwart over vijf opnieuw uit de slaapstand. Hup, d’r uut. Snel aankleden, broodje pindakaas met banaan, daar kun je een tijd op voort, koffie, plasje, voertje maken en op weg. Of nee, plasje kwam eerst. Moest eerst. Dringende oproep van moeder natuur. Hengel klaar. Voertje ook. Voor de vissen welteverstaan. Op naar de vijver, grenzend aan woonwijk de Dante, met de hele bliksemse boel hangend aan de fiets. Het is nevelig. Of nee, mistig. Het maakt de omgeving ietwat mystiek. Inderdaad, aan verbeelding geen gebrek. Nevel ontsnapt stilletjes aan een deken van koelte. Dunne slierten waaieren op, als fijne adem en vleien zich iets verderop neer op het grijze water. Spookachtige wezens dobberen vredig voorbij. De anders zo luidruchtige ganzen en hun kroost lijken de serene stilte niet te willen verstoren. Dan de eerste rimpelingen op de waterspiegel. Ballen voer om vissen te lokken verstoren de stilte.
Ik vlei me neer en wacht. En wacht. En wacht. Er gebeurt niets. Een half uur wordt een uur. Nog geen ontbijtbel. Snap er niks van. Kakelverse maden. Vorige dag gekocht bij hengelsportwalhalla de Beste Stek. Genade voor recht bij de dames Klein. Gerrit de Jonge had geklikt. Het zit zo: als wij vis verschalken ligt dat aan onze excellente hengelsportkwaliteiten. Vangen we niks, dan weigeren wij onszelf te bestempelen als aanfluiting voor de edele hengelsport, dan ligt het aan ‘de rotmaden van Rinus Klein’. Quatsch. Lulkoek. Rinus heeft eersteklas maden. En ik zou niet weten waar ik anders deze niet te versmaden lekkernij voor visjes vandaan moet halen. De verkoop van maden doe je er als slager, banketbakker of ijssalon niet even bij. Dat werkt averechts. De eerste vroege vogel. Jannie Hagedoorn met haar stoere kerels. Duitse herders, die lucht krijgen van mijn lokaas. Zoete meel, met maïs, geweekt duivenvoer en maden.
Jannie moet achter uit de keel om de schobbejakken bij de emmer vandaan te houden. “Wat doe’j toch te viss’n, i’j ziet ja gien dobber met die mist.” Ik leg uit dat een bewegende hengeltop mijn beetverklikker is. Jannies ogen verraden ongeloof. Hoofdschuddend verder. ‘Die is lange nie’ zuuver’, moet ze gedacht hebben. Wie een hond heeft moet er vroeg uit. De ene hondeneigenaar sjokt gapend en slaapdronken richting dijk, een opgestoken wijsvinger als groet, een ander is klaarwakker en steekt me de gek aan. “Môgguh Lampie, gezellig zo, vissen met al je vrienden?” De mist trekt op. Het mystieke water is weer een ordinair buurtvijvertje. Jopie Buiten komt keuvelen. Twee bevallige dames in zijn kielzog. Ierse setters. Het gekeuvel wordt ernstig als Rusland en Oekraïne ter sprake komen. Van een dreigende kernoorlog naar zebravinkjes kweken is aan de vijver een kleine stap. Gezelligheid kent geen tijd. Of toch? Een auto stopt. Gerrit de Jonge. “Zo, zit je weer te lanterfanten. Heb je niets beters te doen?” Weg gezelligheid… (knipoog)

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.