Home / / Lampie: Complotdenker

Lampie: Complotdenker

Nou ja, dan maar een argeloze sloaperd. Een druiloor. Een sul. De collega-hengelaar sprak het niet met zoveel woorden uit, maar zijn lichaamstaal, wegwerpgebaren en hoofdschudden, gepaard met spottende blik en schamper hoongelach, sprak boekdelen. Als visser maak je aan de waterkant wel es een keuveltje met andere hengelaars. Dat is langs het kanaal dat van de Haandrik, een buurtschapje verstopt tussen Gramsbergen en Coevorden, naar Almelo vloeit, de basis van Ilse de Lange, Herman Finkers en Heracles, niet anders. Het babbeltje begon jofel. Ja, hij kon ze aardig vangen. Leefnetje vol en een handvol tips. Hij zat boven op de voorn. Prooivis voor snoek en snoekbaars. Mijn targetvis. Trouwens, of ik een vuurtje had. Hij stond zijn duim rauw te draaien op zijn aansteker. Zelfs na een tijdje flink schudden weigerde dat kreng waar het voor gemaakt is. Hij kreeg zijn sjekkie niet in de fik. Leeg. Geen nood. Ik had vuur.
“Gelukkig”, meldde hij opgelucht. “Ben geneigd dat rotding in het kanaal te mikken. Klotending, maar goed, geen vervuiling”, besloot hij en propte de dienstweigeraar in zijn broekzak. Een aansteker hoort tot mijn standaarduitrusting. Makkelijk om snoertjes mee door te branden. De mijne deed het prima. De visser boog voorover, maakte als windscherm een kommetje van beide handen en zoog gretig de brand in zijn peuk. Pal naast me. “Die anderhalve meterregel is toch van de baan hè”, merkte ik op. Geintje. Opmerking met een knipoog, maar onbedoeld werd de deksel van de beerput gelicht. Of ik die onzin geloofde. Dat verzinsel van de farmaceutische industrie. Een griepje was het, meer niet. Hij was geen 65 jaar geworden om zich vol te laten spuiten met rotzooi. “Jij wel dan”, vroeg ie. Ja dus. Mijn ja was voor hem het startsein om los te gaan. Het ging niet meer over snoek en brasem, maar over wereldleiders, fabrikanten, gifmengers en corrupte politici die ons, klootjesvolk zitten te naaien. De ene na de andere complottheorie vloog me om de oren.
Hij leek me van het type dat geen tegenspraak duldde, dus zocht ik laf toevlucht tot een smoes. “Bliksem, moet gaan. Vang ze.” Ben ik nu zo dom en hij zo slim, of is het omgekeerd. Laten we in het midden, maar wil voor geen goud ruilen. Wat een naar leven heb je dan, overal wat achter zoeken. Zo heb ik op de Vechtbrug ooit een lekke band opgelopen na door het glas te zijn gereden. Daarbij ging mijn verdenking heus niet uit naar fietsenmaker Brunink. Ook heb ik duur kunstaas verspeeld, dat bleef haken achter rotzooi in de Vecht. Zou Rinus Klein van de hengelsportzaak De Beste Stek op strategische punten troep hebben gedumpt? Nee toch, doe niet zo gek! En al mijn buxusbollen zijn geruimd, want kaalgevreten door de buxusmot. Zouden die lui van de Welkoop daar soms achter zitten? Och, och, och. Slaat toch nergens op. Ben je gek. Ach toe maar. Laat gaan. Liever goedgelovig, dan zóóó achterdochtig te moeten leven, tjonge jonge jonge…

 

Lees ook

Lampie: Ommermars

In 99 van de honderd ochtenden ben ik als eerste op. Een paar uur later …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.