Home / / Lampie

Lampie

Was mijn Union Flamingo een mens, dan ben je geneigd te denken ‘als het maar geen corona is?’ De versnelling hapert. Mijn schakelcommando wordt niet, of met vertraging uitgevoerd. De fiets heeft geen puf en trapt zwaar. Het heeft er alle schijn van dat ik meer kracht moet zetten om vooruit te komen. Net als bij een hond, gaat blijkbaar ook een fiets op zijn baas lijken. Binnenkort maar eens kijken of fietsenmaker Berend-Jan Brunink wat in de aanbieding heeft. Heel stiekempjes zit ik te denken aan trapondersteuning. Weet ik…, een veel te grote mond gehad door te zeggen dat iedereen beneden de 65, gezond van lijf en leden, en met enig zelfrespect in zijn donder, niet op zo’n vals kreng hoort te zitten, maar daar kom ik van terug. Die boodschap trek ik. Inschattingsfoutje. Het enige dat tussen mij en de aanschaf van een flitsende e-bike staat is mijn ouwe, gammele Union. In mijn hoofd heb ik afscheid genomen, maar ben gaan twijfelen.
Het was redelijk weer voor de tijd van het jaar. Om even aan de thuiswerksleur te ontsnappen besloot ik een fietstocht te maken. Een soort afscheidstournee. Nog een keer ons samenwerkingsverbond bestendigen. Niet via een lullig ommetje door de buurt, maar een rondje Lemelerberg. Wat energierepen mee en koers richting onze eigen Tafelberg. Kijken of het nog lukt zonder afstappen vanaf het dorp naar de top. Ik kan verklappen, het is gelukt, maar eenmaal boven moest deze dappere pedaalridder wel even op adem komen. Naar beneden suizen via de kant van Dalmsholte ging eenvoudiger. Even stoppen bij De Dikke Steen. Een reusachtige zwerfkei die me terugbracht naar mijn kinderjaren. Ik ben bang voor reuzenkeien. Een nare jeugdherinnering. Dat kwam zo: we waren nog klein, mijn broertje en ik. In de koelkast lag een doos met drie tompouces. We mochten er vast een pakken, maar eentje overlaten voor moeder, die uit werken was.
Maar ze waren zo lekker. Twee zielen, een gedachte, de overgebleven tompouce ging door de helft. Mijn moeder besloot ons een lesje te leren en vertelde een oude Indische sage. Een straatarme baboe, dat is een soort dienstmeid, had een briefje klaar gelegd voor haar twee jongens. Er lag een vis in de pan die de jongens mochten opeten. Alleen moesten ze de kop bewaren voor hun moeder. Daar hadden de boys geen boodschap aan en aten zelfs de kop op. Nadat moeder het had ontdekt, vluchtte ze verdrietig naar buiten en zette zittend op een rots een klaaglied in. “O grote steen, eet mij maar op!” Even later spleet de kei in twee stukken. De moeder verdween in de opening, waarna het gesteente zich weer sloot. Aan de buitenkant van het rotsblok hingen als duistere herinnering lange, gitzwarte haren. De jongens begonnen huilend te trekken aan het haar en schreeuwden om de terugkeer van hun moeder, maar het kwaad was geschied. Ze waren wees. Dat maakte indruk. Nog steeds. Je kijkt toch of er haar uit die steen puilt…

Lees ook

Ondernemersfonds Centrum Ommen gaat voor een economisch sterke en bereikbare binnenstad

OMMEN – De bereikbaarheid van het centrum van Ommen is voor ondernemers zeer belangrijk. De …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.