Home / / Feuilleton: Retourtje Hammersloo

Feuilleton: Retourtje Hammersloo

Hoofdstuk 3: Het leven ging verder…

En het was in 1973 dat ik definitief mijn onschuld en jeugdige zorgeloosheid verloor.

Enkele dagen later brachten mijn ouders mij weg naar tante Tine en ome Sjoerd in Drenthe. “Dan kun je daar bevallen en daarna kom je weer gewoon thuis. Niemand hoeft te weten van jouw schandelijke gedrag. Ik schaam mij er voor dat jij mijn dochter bent. Alleen tante Tine, ome Sjoerd, jouw bazin en wij weten hiervan en dat willen wij graag zo houden. De mensen kletsen toch al zo veel in de buurt”, sprak vader mij onderweg in de auto toe.

(door Miny Vroegindewey)

Ik zweeg maar wijselijk, want tegen mijn vader ingaan was onbegonnen werk en van mijn moeder hoefde ik ook niet veel steun te verwachten. Zij had niets in te brengen bij mijn vader, wiens wil nu eenmaal wet was. Ik kende tante Tine en ome Sjoerd oppervlakkig; ik vond ze wel aardig en ik was vooral blij dat ik van huis kon gaan. Dan hoefde ik niet langer het geraas van mijn vader aan te horen en als ik bij tante Tine was, zou ik Arnold schrijven en hem vertellen dat ik in verwachting was. Dan kwam hij mij vast en zeker halen en konden wij trouwen en samen ons kindje grootbrengen. Hoe naïef was ik!

Van Arnold hoorde ik helemaal niets, mijn brieven aan hem bleven onbeantwoord en enkele pogingen om hem te bellen mislukten. Zodra ik naar hem belde, kreeg ik steevast zijn moeder aan de telefoon die mij afwimpelde met allerlei smoezen. Tijdens het laatste telefoongesprek werd mij kortaf medegedeeld dat ik niet meer moest bellen omdat Arnold verkering had gekregen met een ander meisje. “Ach Iris, die verkering tussen jou en Arnold was toch immers maar van korte duur. Heus, je vindt echt wel weer een andere leuke jongen”, hield ze mij goedbedoeld voor. Maar ik wilde geen andere jongen, ik wilde Arnold en niemand anders. Maar ik hoorde niets meer van Arnold en realiseerde mij dat ik nooit meer iets van hem zou horen.

De maanden bij tante Tine en ome Sjoerd gingen in een roes voorbij. Zij waren aardig voor mij en bedoelden het goed, maar over de zwangerschap werd verder niet gesproken. Ik hielp tante Tine in huis en mijn vrije uurtjes bracht ik door met het breien en naaien van kleertjes voor mijn kindje. Ondanks dat mijn zwangerschap beslist niet gewenst en gepland was, keek ik toch verlangend uit naar mijn kindje. Stiekem hoopte ik op een meisje en mijn wens kwam uit.

Op 8 mei 1974 werd mijn dochtertje na een moeizame bevalling geboren in het ziekenhuis. Ik hield direct van haar en wilde niets liever dan voor haar zorgen. Maar helaas werd ik gedwongen om afstand van haar te doen. “Heus Iris, je kindje zal het goed krijgen en er zal goed voor haar gezorgd worden. Dit is echt het allerbeste”, sprak tante Tine mij herhaaldelijk toe.
Ach, ze bedoelde het goed, maar mijn verdriet werd er niet minder om.

En op die bewuste dag toen ik uit het ziekenhuis ontslagen werd en besefte dat ik mijn kindje nooit meer zou zien, huilde ik in stilte. Het was tevens de laatste keer dat ik huilde. Uiteindelijk verdrong ik alle herinneringen aan mijn kindje en aan Arnold. Ik troostte mij met de gedachte dat zij het goed zou krijgen bij haar nieuwe ouders en ik moest wel verder met mijn leven.
Een week later bracht tante Tine mij weer naar huis en daar ging het leven heel gewoon weer verder. Alsof er niets gebeurd was ging ik weer aan het werk in de kledingzaak van Hofman, hielp ik thuis op de boerderij en in de huishouding. Moeder was niet zo sterk en kon mijn hulp goed gebruiken.

Vader sprak nog steeds niet tegen mij en ik had hem ook niets te zeggen. En het leven ging verder. Alsof er niets gebeurd was en mijn kindje nooit geboren was.

Heden

Inmiddels was het buiten schemerig geworden en het programma ‘Op zoek’ afgelopen. Kat Tiddles die al die tijd op mijn schoot had gelegen miauwde klaaglijk om voer. “Ja, ja, poes, je krijgt zo eten. Jank toch niet zo, je komt niets tekort”, mopperde ik op de langharige witte kat, die naar de keuken draafde waar ze mij beschuldigend aankeek bij een halflege voerbak. “Wat ben je toch ook een verwend mormel”, grinnikte ik en voerde Tiddles. Vervolgens las ik op de website van het televisieprogramma over mijn dochter Magda en zag ik nog meer foto’s van haar. Wat leek ze in haar gezicht toch veel op mij. Ik las dat Magda een licht verstandelijke beperking had, in een woongroep woonde en werkte bij de sociale werkvoorziening. Magda en haar adoptieouders hielden veel van elkaar en hadden een sterke band. En ik stond in tweestrijd. Wat moest ik doen? Wel of geen contact met haar opnemen? Ik wist het niet.

Wordt vervolgd…

Lees ook

Geen bijval voor ‘ondoordacht’ voorstel van Gemeentebelangen om winkeliers te helpen

DALFSEN – Het lijkt een sympathiek idee: geef winkeliers en horecaondernemers indirecte een financiële tegemoetkoming …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.