Home / / Lampie: Achterdocht

Lampie: Achterdocht

Eind december. Het jaar loopt leeg. Toch is er hoop. De dagen lengen alweer. Al merk je daar weinig van. Zeker niet als het donker en somber is. Sprokkelwerk. De kerstdagen voorbij, een nieuw jaar in aantocht.

Het miezert. Ach ja, de tijd van het jaar. Je kunt verlangen naar mooi weer, maar je moet wel realistisch blijven, anders creëer je je eigen teleurstelling. Hollandse winters zijn zacht en nat. Af en toe zonnig, maar dan is het koud. ‘Gezond weer’, hoor je dan tien keer per dag om je heen. ‘Koud, maar daar kun je je op kleden.’ Gezever. Mensen lullen elkaar maar wat na. Nu, peddelend over de Hardenbergerweg, is het geen gezond weer. Kil en druilerig. Nog geen vijf uur en al pikdonker. Om chagrijnig van te worden. Slecht weer maakt narrig. Om niks. “De pindakaas is op. Je zou toch nieuwe halen?” “Shit, vergeten!” Enigszins brommerig, “nee hè, alweer!”

Plots valt me op dat de auto voor me wel erg sukkelig rijdt. Bijna stil staat ter hoogte van het pand waar bakker Koggel eind vorige eeuw zoete broodjes bakte. Inmiddels voltooid verleden tijd. Schiet es op man, denk ik bij mezelf. O…, buitenlands kenteken. Die kennen deze smalle hindernisweg niet. Witte nummerplaat met de letters RO. Rome of zo? Ach nee, tuurlijk niet domoor, Roemenië! Huh…, wat moet die nu hier? In Boekarest valt dit karretje niet op. Hier wel. Verdacht. Als het maar geen inbrekers zijn. Die polshoogte komen nemen, zo in de schemer. Programma’s als ‘Opgelicht!?’ en ‘Opsporing verzocht’ zijn fnuikend voor je mensbeeld. Achterdocht bekroop me. Misschien onterecht, stigmatiserend zelfs, maar ja, er is veel narigheid. Inbraak. Oude mensjes die worden overvallen.

En dan moet ik denken aan mijn lieve moedertje. Zo goedgelovig. Ik kan honderd keer zeggen: ma, ’s avonds niet voor onbekenden de deur opendoen. Ook niet voor collectanten. Klopt, de dierenbescherming doet goed werk. Kom overdag maar terug. Vage klanten met autopech, die gebruik willen maken van je telefoon. Niet binnenlaten. Zie het voor zo me, ze biedt dat tuig nog koffie aan ook. Niet dat er iets te halen valt. De stofzuiger en een koffiezetapparaat, dan hebben we alle kostbaarheden wel gehad. Gouden sieraden heeft ze niet. Alleen een hart van goud.

Ik word uit mijn overpeinzing getrokken door een gil. Een rank, blond deerntje, op de pakjesdrager van een slingerende fiets. Op het zadel een opgeschoten joch. Hij schaterlacht en doet stoer. Is in zijn nopjes met zijn vracht. Tuit zijn lippen. Zijn smeekbede blijft onbeantwoord. Als reactie stampt hij nog wat harder op de pedalen. Zijn buit gilt het uit. Niet uit angst, maar speels en uitdagend. Als dat dwaze gedoe maar niet misgaat, denk ik bij mezelf, maar daar staan die twee niet bij stil. Die zijn verliefd. Wedden dat ze die verdachte auto met die vreemde nummerplaat niet eens hebben opgemerkt? Wat is het toch heerlijk om jong te zijn. Geen achterdocht, geen kou, geen zorg, alleen oog voor elkaar…

Lees ook

Het Boek van de Week

De vader van de Britse Christa Geering heeft een oorlogstrauma opgelopen. Tijdens WOI heeft hij …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.