Home / / Lampie: Rokers

Lampie: Rokers

Het is een doodsaaie, doordeweekse ochtend op de burelen van de Nederlandse Spoorwegen. Ik schrik wakker. Ping. Een kattebelletje van Gerrit de Jonge, naast collega tevens een gewaardeerd raadslid van ons pittoreske woonplaatsje Ommen. ‘Twaalf uur, wandelen!’ Een blik naar buiten leert dat het weer niet uitnodigt. De hemel is gemarmerd, overwegend opaalgrijs. Het stationsplein glimt van nattigheid. Passanten beschermen zichzelf tegen de motregen met paraplu’s. Nog genoeg werk te verstouwen, maar kom op, dat wil niet ik niet als excuus gebruiken. Een stevige wandeltocht verkwikt lichaam en geest. Weinig zin om een nat pak op te lopen, maar och, het is maar water, daar wast een mens zichzelf elke dag mee, kan geen kwaad. Ik pep mezelf op, spreek in gedachten mezelf streng toe: kom op Lampie, laat de geest heersen over het lichaam! Kort bevestigend berichtje terug. ‘Ja.’ Ping. ‘Zie je bij de trap.’ Even zeuren. ‘Hoe kan ik je herkennen.’ Ping. ‘Ophouden met dat geklier, ik ben druk.’ ‘Doe maar een rode roos in je rechterrevers voor alle zekerheid’, besluit ik met een binnenpretje. Flauwekul natuurlijk. Gewoon in de massa uitkijken naar een man met een lange, zwarte duffelse jas, razend populair bij ‘potloodventers’, en een vierkante schedel.
Iets voor het afgesproken tijdstip bestijg ik de trap, goed voor de conditie, de roltrap kan altijd nog als ik echt een ouwe zak ben, over een jaartje of twee, drie. Ons raadslid achtte de roos als herkenning niet nodig en vraagt of ik wel bij mijn bureau vandaan kan. “Ik ben net zo onmisbaar als jij”, kaats ik terug en we lopen richting uitgang. Bliep. Bliep. Ja, het is gepermitteerd, we mogen er uit. Even uitleggen, je komt tegenwoordig de grotere stations, zoals Zwolle niet meer in of uit zonder pasje. Je moet door een detectiepoortje met een hek. Pal achter het hek, leunend tegen muur van de de automatiek, staan enkele collega’s, machinisten en conducteurs te blauwbekken. Kop in de kraag en de armen kort tegen het lijf, vanwege de waterkou. Maar ja, er moet gerookt worden. En dat mag niet meer op het station. We worden de gek aangestoken. “Aan het spijbelen jongens?” Bijdehand gedoe over onze kapot gewerkte ruggen.
“Nee, ik laat Gerrit even uit”, luidt mijn repliek. “Even een boodschapje doen voor het bedrijf”, vult mijn collega aan, met een lach en een knipoog. Een snelle blik op de grond leert dat dit de hangplek is geworden voor verstokte rokers. Overal peuken. Een eind verderop ligt een vertrapte verpakking, Marlboro. “Hou elkaar bij de hand jongens, dit is de grote stad.” Nauwelijks uitgesproken barst de conducteur uit in een lachsalvo, gevolgd door een hoestbui waarbij hem de bril een eind van de neus zakt. “Hup, naar de trein, denk aan de punctualiteit”, geef ik de controleur een goedbedoelde tip. Plots dringen The Editors in mijn schedel, ‘The saddest thing that I’d ever seen/were smokers outside the hospital doors’. Tja, paffen. Tom Smith, zanger van de Engelse band, schreef er een liedje over, Lampie een column…

Lees ook

Rick: Voorstelrondje

Ik ben Mark van Dam, 34 jaar en accountmanager bij deze organisatie. Ik werk hier …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.