Home / archiefcentraal / van een vader en een zoon hoofdstuk 16

van een vader en een zoon hoofdstuk 16

Op een donderdagmiddag werd ik gebeld door een arts van een ziekenhuis in Utrecht. Zij meldde mij dat mijn broer Frank was opgenomen, vermoedelijk slachtoffer was geworden van extreem geweld, en zijn toestand zeer zorgwekkend was. Ik was ontzet, want dit was toch wel het laatste wat ik verwachtte. Ik liet de galerie over aan mijn assistente Sonja, en reed naar Utrecht.

Anderhalf uur later stond ik aan het bed van Frank op de afdeling Intensive Care. Hij lag aan allerlei slangen, en zijn gezicht was onherkenbaar door de vele blauwe plekken. Ik huiverde toen ik hem daar zag liggen, en een machteloos gevoel van zinloosheid bekroop mij. ‘Wij zullen de komende dagen moeten afwachten of er herstel optreedt en uw broer het zal halen’, deelde de arts mij mede.

Oma van Gelderen reageerde ontzet toen ik haar op de terugweg bezocht en haar het nieuws over Frank vertelde. ’Wat triest, wat triest, dat een jong leven zo zinloos moet eindigen. Maar om eerlijk te zijn, verbaast mij dit niets. Frank had natuurlijk wel veel vijanden, en wat een mens zaait zal hij wel oogsten’, was oma’s reactie. Door de politie die de zware mishandeling van Frank alias De Farao onderzocht, werd uitgegaan van een uit de hand gelopen ruzie in de onderwereld. Frank had veel vijanden, en de mishandeling werd breed uitgemeten in de pers.

De komende dagen veranderde er weinig in Franks toestand, die zorgwekkend bleef. ‘U zult er rekening mee moeten houden dat uw broer blijvend letsel zal houden als hij het haalt’, deelde de arts mij mee. Ik lichtte mijn vader Sjoerd en tante Ada in over Frank. Tante Ada kende de verhalen over Frank alias De Farao uit de pers. ‘Wat bizar dat broers zo verschillend in het leven terecht komen. Tja, Frank heeft wel zelf gekozen voor dit leven, en met die flauwekul over een slechte jeugd moeten ze bij mij niet aankomen. Jij hebt het ook niet gemakkelijk gehad, en hebt het wel gered. Jouw vader en wij zijn heel trots op jou’, zei tante Ada.

De komende weken waren heel druk. Ik verdeelde mijn aandacht tussen mijn galerie, Frank, mijn vader en familie. Mijn vader kwam wekelijks koffie drinken, en hij begroette mij altijd met een opgewekt: ‘Hallo mijn jongen, alles goed met jou?’ Hij wist mij altijd op te beuren met zijn humor en opgewekte humeur. Onze band was heel hecht geworden, en hij sprak nog steeds vol liefde over zijn grote liefde en mijn moeder Jetty.

Gelukkig was er verder niemand die mij in verband bracht met Frank, temeer ook omdat onze achternaam nooit volledig genoemd werd in de pers. De mishandeling van Frank alias De Farao werd breed uitgemeten in de pers, maar daders bleven onbekend. De politie en wij gingen nog steeds uit van een uit de hand gelopen ruzie in het criminele circuit. Langzamerhand week het levensgevaar, maar Frank hield wel blijvend letsel. Zo was hij blind aan zijn linkeroog, en vanaf zijn middel verlamd. De eens zo onaantastbare Frank alias De Farao was veranderd in een hulpbehoevende man, die afhankelijk was van anderen en niet meer kon lopen.

‘Vrienden’ en ‘vriendinnen’ lieten het massaal afweten, en zijn enige bezoekers waren oma van Gelderen en ik. Er was een drastisch einde gekomen aan de criminele loopbaan van Frank alias De Farao, en van zijn ‘vermogen’ was niets meer over. Weken verstreken, zonder dat er daders van de mishandeling werden gevonden, en wij keerden terug tot de orde van de dag. Totdat ik ineens gebeld werd door een rechercheur, die mij vertelde dat er een dader was aangehouden.

Wordt vervolgd

Lees ook

Boek van de Week: Het Rosie resultaat

OMMEN – Het boek van de week van Bibliotheek Ommen is ‘Het Rosie resultaat’ van …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.